© Nick Garbutt / Nature in Stock

Bijbelse Geschiedenis

Intro

Waarom doet God niets?

Veel mensen vragen zich af waarom God niets doet. Dit is een terechte vraag, die de Bijbel beantwoord. God heeft op diverse momenten in de geschiedenis de wereld, landen, steden of individuen geoordeeld. God laat het kwaad niet eindeloos doorgaan, maar zal het op Zijn tijd ook oordelen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op Bijbelse geschiedenis waarin God overgaat tot oordelen of juist niet.

De Zondvloed

We laten nu het verhaal van de schepping en zondeval achter ons en gaan verder de toekomst in. Het exacte jaar van de zondvloed is onbekend, maar ligt op ongeveer 1600-1700 jaar na de schepping. In die periode hadden de mensen, dieren en planten zich, omdat God hen gezegend had, vermenigvuldigd. Helaas hadden de mensen zich niet alleen fysiek vermenigvuldigd, maar vermenigvuldigde hun zonde zich ook.

En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.
Toen berouwde het den HEERE dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij dat Ik hen gemaakt heb.
(Genesis 6:5-7)

God keek naar de mensheid en zag dat de zonden van de mensen er vele waren. De gedachten van de mensen waren al hun dagen boos. God had, vanwege de veelheid van de zonde van de mens, verdriet dat Hij de mens geschapen had. Hij besloot de mensheid en alle dieren van de aardbodem weg te vagen.

Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.
(Genesis 6:8)

Noach was een rechtvaardige en vond daarom genade in Gods ogen.

Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.
Maak u een ark van goferhout; met kamers zult gij deze ark maken; en gij zult ze bepekken van binnen en van buiten met pek.
(Genesis 6:11-14)

De mensheid was verdorven voor Gods aangezicht en vervuld met geweld. Er was, uitgezonderd Noach, niemand die goed deed. God besloot daarom de aarde en al wat erop leefde weg te vagen.
God gebood Noach om een groot schip, een ark, te bouwen. Hij gebood Noach kamers in deze ark te maken en voor waterdichtheid de binnen- en buitenkant te bestrijken met pek.

En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.
(Genesis 6:22)

Noach gehoorzaamde God en bouwde de ark zoals God het omschreven had.

Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
(1 Petrus 3:20)

En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal, bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht.
(2 Petrus 2:5)

Noach deed ongeveer 120 jaar over de bouw van de ark en was een prediker van gerechtigheid. God wachtte geduldig gedurende die tijd, die nodig was om de ark te bouwen, met het uitstorten van Zijn toorn.
Hij gaf de mensheid 120 jaar bovenop de meer dan 1600 jaren die al verstreken waren.

Noach predikte het Evangelie in die tijd tot de mensen, maar niemand dan zijn eigen familie wilde het horen. De mensheid was in die tijd zo verdorven, dat door de prediking van Noach niemand tot bekering kwam. Geen van de mensen, die in die tijd leefden, had een excuus. Allen hadden het Evangelie gehoord en afgewezen.

Nadat de 120 jaren verstreken waren, was de ark af.

Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.
Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.
Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
(Genesis 7:1-5)

God gebood Noach, samen met zijn gezin en de dieren, de ark in te gaan. Noach gehoorzaamde God en deed alles wat God hem geboden had.

En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.
In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelven dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend.
En een plasregen was op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
(Genesis 7:10-12)

Nadat zeven dagen waren verstreken kwam de vloed over de aarde. Het regende veertig dagen en veertig nachten aaneengesloten.

Even op dienzelven dag ging Noach, en Sem en Cham en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw en de drie vrouwen zijner zonen met hen in de ark;
Zij, en al het gedierte naar zijn aard en al het vee naar zijn aard en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogelken van allerlei vleugel.
En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.
En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.
En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.
En de wateren namen de overhand en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.
En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.
Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand; en de bergen werden bedekt.
En alle vlees dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte en van het vee en van het wild gedierte en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens af tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde. Doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.
En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.
(Genesis 7:13-24)

Dezelfde dag dat de vloed over de aarde kwam gingen Noach, zijn vrouw, zijn zonen en de vrouwen van zijn zonen de ark in.
God sloot de deur achter hen en vanaf dat moment kon niemand meer naar binnen. Het lot van de mensen buiten de ark, die weigerden het Evangelie te horen en weigerden naar binnen te gaan, was bezegeld.

De vloed kwam en het water bleef stegen tot alle bergen bedekt waren. Alle mensen, alle dieren en alle vogels die op aarde leefden en niet in de ark waren, kwamen om en het water bedekte de aarde voor een periode van honderdvijftig dagen.

En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte en aan al het vee dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan en de wateren werden stil.
Ook werden de fonteinen des afgronds en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.
Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende; en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.
En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararát.
(Genesis 8:1-4)

God dacht aan Noach, zijn familie en alle dieren in de ark. God liet een wind over de aarde waaien en het water werd stil. Hij liet de regen ophouden en het water keerde terug naar waar het vandaan kwam.

En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.
Toen sprak God tot Noach, zeggende:
Ga uit de ark, gij en uw huisvrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u.
Al het gedierte dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.
(Genesis 9:14-17)

Nadat de aarde was opgedroogd, gebood God Noach de ark met zijn familie en alle dieren te verlaten. God zegende Noach, zijn familie en de dieren, zodat zij overvloedig vruchtbaar zouden zijn en zich vermenigvuldigen.

En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandoffers op dat altaar.
En de HEERE rook dien lieflijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil, want het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
Voortaan, al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden.
(Genesis 9:20-22)

Noach bouwde een altaar en offerde daar brandoffers op aan God. God zag het offer van Noach aan. God zei in Zijn hart dat Hij nooit meer de aardbodem zal vervloeken en alles wat leeft vernietigen met een vloed. Dit deed Hij omwille van de mens, wiens hart zondig en boos is van de jeugd af aan.
Voortaan zouden zaaien en oogsten, kou en hitte, zomer en winter en dag en dag niet meer ophouden.

En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zijn zal om de aarde te verderven.
En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden en tussen alle levende ziel die met u is, tot eeuwige geslachten.
Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.
En het zal geschieden als Ik wolken over de aarde breng, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.
Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed om alle vlees te verderven.
Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees dat op de aarde is.
(Genesis 10:11-16)

God richtte een verbond op met Noach, zijn nageslacht en alles wat leeft. Hij beloofde dat er nooit meer een vloed over de aarde zou komen, om alles wat leeft te vernietigen. God plaatste zijn boog, de regenboog, in de wolken als teken van dit verbond.

De toren van Babel

En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
Maar het geschiedde als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sínear; en zij woonden aldaar.
En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Komaan, laat ons tichels strijken en weldoorbranden. En de tichel was hun voor steen en de lijm was hun voor leem.
En zij zeiden: Komaan, laat ons voor ons een stad bouwen en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken; opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden.
Toen kwam de HEERE neder om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.
En de HEERE zeide: Zie, zij zijn enerlei volk en hebben allen enerlei spraak, en dit is het dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?
Komaan, laat Ons nedervaren en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.
Alzo verstrooide hen de HEERE vandaar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.
Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en vandaar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.
(Genesis 11:1-9)

Nadat Noach, zijn vrouw en zijn zonen uit de ark waren gegaan, gingen ze zich weer vermenigvuldigen. Omdat kinderen de taal van de ouders overnemen, sprak de hele aarde één taal.
De mensheid, wiens gedachten slecht zijn in Gods ogen, wilde in haar hoogmoed een toren bouwen, die tot in de hemel reikt. Zij wilden zichzelf groot maken, zodat de niet over de aarde verstrooid zouden worden.

God daalde neer uit de hemel en greep in. Hij wilde voorkomen dat de mensheid nu al in opstand zou komen. God gaf de mensen verschillende talen om te spreken en verwarde hun daarmee. De mensheid hield op met de bouw van de stad en de toren. Daarna verspreidde God de mensheid over de hele aarde naar hun taal en Hij maakte zo de volken van de aarde.

Dit is de geschiedenis van het ontstaan van landen, talen en volken.

Sódom en Gomórra

Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd.
En hij hief zijn ogen op en zag, en zie, er stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.
(Genesis 18:1-2)

God verscheen met twee engelen, alle drie in mensengedaante, aan Abraham bij de eikenbossen van Mamre en Abraham boog zich ter aarde.

Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sódom en Gomórra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is,
Zal Ik nu afgaan, en bezien of zij naar haar geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben; en zo niet, Ik zal het weten.
Toen keerden die mannen het aangezicht vandaar en gingen naar Sódom; maar Abraham, die bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.
(Genesis 18:20-22)

God had de zonde van Sódom en Gomórra gezien en Zijn oordeel was dat ze zeer zwaar waren. Hij wilde persoonlijk naar deze steden gaan om te zien of ze daadwerkelijk het oordeel waardig waren.
De twee engelen vertrokken als eerste naar Sódom.

God is alwetend en het was voor Hem niet nodig om Sódom en Gomórra te bezoeken. Hij deed dit om:

  • ons te laten zien dat Hij rechtvaardig is en het oordelen van mensen serieus neemt.
  • ons te laten zien dat Hij niet over een nacht ijs gaat en afwacht of mensen tot inkeer komen.

En die twee engelen kwamen te Sódom in den avond; en Lot zat in de poort te Sódom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
(Genesis 19:1)

In de avond kwamen de twee engelen aan in Sódom en Lot, de neef van Abraham, herkende hen als engelen van God.

Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? Een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen die gij hebt in deze stad, breng hen uit deze plaats;
Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft om haar te verderven.
(Genesis 19:12-13)

De engelen zeiden tegen Lot dat hij de stad, samen met zijn familie, moest verlaten. De zonden die de mensen van de steden Sódom en Gomórra deden waren zo gruwelijk, dat God had besloten deze steden van de aarde weg te vagen.

En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: Behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere;
Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve en ik sterve.
Zie toch, deze stad is nabij om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?), opdat mijn ziel leve.
En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere, waarvan gij gesproken hebt.
Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarheen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.
(Genesis 19:17-22)

Lot kreeg de opdracht om de stad te verlaten en naar de bergen eromheen te vluchten. God schonk Lot genade en stond hem toe om te vluchten naar de kleine stad Zoar, in plaats van naar de bergen. Daarna werd Lot verteld zich te haasten, want God kon de steden niet vernietigen totdat Lot in veiligheid was.

De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sódom en over Gomórra regenen, van den HEERE, uit den hemel.
En Hij keerde dezelve steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.
(Genesis 19:23-25)

Nadat ze zon opkwam en Lot veilig in Zoar was aangekomen, liet God vuur en zwavel over Sódom en over Gomórra regenen. Hij vernietigde de steden, de gebieden eromheen, de inwoners en alle gewassen volledig. De Dode Zee in Israël is de plaats waar deze steden lagen.

God heeft de vernietiging van Sódom en over Gomórra aan ons als voorbeeld gegeven om te laten zien dat Hij de zonde niet onbestraft laat, maar dat Zijn toorn beslist volgt op de zonde.

Ninevé

En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende:
Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.
(Jona 1:1-2)

Gods woord kwam naar de profeet Jona en Hij gebood hem om naar de stad Ninevé te gaan, omdat God hun slechtheid had gezien. Ninevé was een grote stad in die tijd en het duurde drie dagreizen om er omheen te gaan.

Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het woord des HEEREN. Ninevé nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.
En Jona begon in de stad te gaan, één dagreis; en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd.
(Jona 3:3-4)

De boodschap die Jona aan de inwoners van Ninevé predikte, was dat de stad over veertig dagen zou worden weggevaagd.

En de lieden van Ninevé geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.
Want dit woord geraakte tot den koning van Ninevé, en hij stond op van zijn troon en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.
En hij liet uitroepen, en men sprak te Ninevé uit bevel des konings en zijner groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap ietwat smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.
Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterkelijk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld dat in hun handen is.
Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen.
(Jona 3:5-9)

De inwoners van Ninevé geloofden God op Zijn woord en handelden als volgt:

  • Ze riepen een tijd van vasten uit en kleedden zich in zakken.
  • De koning van Ninevé deed zijn koninklijke mantel uit, kleedde zich ook in een zak en zat in de as. Hier komt ons spreekwoord “in zak en as zitten” vandaan.
  • De koning gaf bevel dat mens noch dier iets mochten eten en drinken.
  • Ze kleedden zelfs de dieren in zakken.
  • Ze riepen krachtig tot God en bekeerden zich van hun verdorven wegen en hun geweld.

En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.
(Jona 3:10)

God zag dat de inwoners van Ninevé zich bekeerden van hun verdorven wegen en God veranderde van gedachten. Als reactie op wat de mensen deden, besloot God Ninevé niet weg te vagen.

Gods toorn als reactie op de mensen

God geeft, voordat Hij zijn toorn uitstort, de mensen altijd de kans zich te bekeren. De mensen:

  • in de tijd van Noach bekeerden zich niet. Als reactie op de weigering van de mensen zich te bekeren, heeft God de toenmalige wereld verwoest met de zondvloed.
  • in de steden Sódom en Gomórra bekeerden zich niet. Als reactie op de weigering van de mensen zich te bekeren, heeft God de steden Sódom en Gomórra verbrand met vuur en zwavel en omgekeerd.
  • in de stad Ninevé bekeerden zich wel. Als reactie op hun bekering spaarde God de stad Ninevé en stortte Zijn toorn niet uit.

Geen toorn voor rechtvaardigen

Want indien God de engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal, bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;
En de steden van Sódom en Gomórra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen die goddelooslijk zouden leven;
En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft
(Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken);
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden.
(2 Petrus 2:4-9)

Door de geschiedenis heen heeft God zijn toorn altijd alleen uitgestort over de onrechtvaardigen, maar de rechtvaardigen spaart Hij en laat Hij ontsnappen aan zijn toorn:

  • God heeft de oude wereld met haar goddelozen niet gespaard, maar Noach heeft God gespaard door middel van de ark.
  • God heeft Sódom en Gomórra niet gespaard, maar heeft rechtvaardige Lot eruit verlost.
  • God zal de onrechtvaardigen bewaren tot de dag van het oordeel en bestraffing, maar zal de rechtvaardigen verlossen.

Waarom zwijgt God nu?

Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.
De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden.
(2 Petrus 3:8-10)

Waarom doet God niets? Waarom zwijgt God? Dit zijn vragen die mensen hebben als het over God gaat en de slechtheid in deze wereld.

Christenen noemen het huidige tijdperk de “bedeling van genade”. In dit tijdperk houdt God zijn toorn in genade achter en wacht geduldig op de mens om tot inkeer te komen. Zoals God 1600-1700 jaar geduld had voordat Hij de zondvloed over de aarde bracht, zo heeft God nu ook geduld met de mens.
Dit betekent niet dat er geen toorn gaat komen. De toorn komt, maar God is slechts geduldig met ons mensen, zoals Hij was in de periode voor de vloed. Zijn geduld duurt nu al ruim 2000 jaar, maar raakt een keer op. Dan zal de komende toorn losbarsten.

De komende toorn

De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tezamen, tegen den HEERE en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen.
Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten.
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
(Psalm 2:2-5)

Wat hier staat zien we voor onze ogen gebeuren. Onze leiders zweren samen tegen God en Zijn Gezalfde, Jezus Christus. Ze willen Gods geboden verscheuren en van zich afwerpen. God, die in de hemel woont, zal lachen en hen bespotten.
Als u vanaf een wolkenkrabber naar beneden kijkt, lijken mensen op mieren. Hoe bespottelijk is het dan dat mensen in opstand willen komen tegen God.
In die tijd zal God tot de mensheid spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid zal hij hen angst aanjagen.

En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen verborgen zichzelven in de spelonken en in de steenrotsen der bergen,
En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van den toorn des Lams;
Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?
(Openbaring 6:15-17)

Deze periode van oordeel zal zo verschrikkelijk zijn dat de mensheid tot de bergen en rotsen zal roepen om op hen te vallen en hen te verbergen voor God. God zal niet altijd zwijgen, maar de dag komt dat God alle ongerechtigheid zal wreken.